Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik dood
jij/je doodt
hij/zij/het/u doodt
wij/we doden
jullie doden
zij/ze doden
onvoltooid verleden tijdpast
ik doodde
jij/je doodde
hij/zij/het/u doodde
wij/we doodden
jullie doodden
zij/ze doodden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gedood
jij/je hebt gedood
hij/zij/het/u heeft gedood
wij/we hebben gedood
jullie hebben gedood
zij/ze hebben gedood
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gedood
jij/je had gedood
hij/zij/het/u had gedood
wij/we hadden gedood
jullie hadden gedood
zij/ze hadden gedood
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal doden
jij/je zult doden
hij/zij/het/u zal doden
wij/we zullen doden
jullie zullen doden
zij/ze zullen doden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gedood
jij/je zult hebben gedood
hij/zij/het/u zal hebben gedood
wij/we zullen hebben gedood
jullie zullen hebben gedood
zij/ze zullen hebben gedood
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou doden
jij/je zou doden
hij/zij/het/u zou doden
wij/we zouden doden
jullie zouden doden
zij/ze zouden doden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gedood
jij/je zou hebben gedood
hij/zij/het/u zou hebben gedood
wij/we zouden hebben gedood
jullie zouden hebben gedood
zij/ze zouden hebben gedood
gebiedende wijs: dood
tegenwoordig deelwoord: dodend
voltooid deelwoord: gedood
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Deze spray doodt muggen heel snel.
This spray kills mosquitoes very quickly.
Onvoltooid verleden tijdPast
De kat doodde een muis in de tuin.
The cat killed a mouse in the garden.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De vorst heeft veel planten in de tuin gedood.
The frost killed many plants in the garden.
Voltooid verleden toekomende tijdConditional perfect
Zonder het vaccin zou het virus veel mensen hebben gedood.
Without the vaccine, the virus would have killed many people.