Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik maak dicht
jij/je maakt dicht
hij/zij/het/u maakt dicht
wij/we maken dicht
jullie maken dicht
zij/ze maken dicht
onvoltooid verleden tijdpast
ik maakte dicht
jij/je maakte dicht
hij/zij/het/u maakte dicht
wij/we maakten dicht
jullie maakten dicht
zij/ze maakten dicht
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb dichtgemaakt
jij/je hebt dichtgemaakt
hij/zij/het/u heeft dichtgemaakt
wij/we hebben dichtgemaakt
jullie hebben dichtgemaakt
zij/ze hebben dichtgemaakt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had dichtgemaakt
jij/je had dichtgemaakt
hij/zij/het/u had dichtgemaakt
wij/we hadden dichtgemaakt
jullie hadden dichtgemaakt
zij/ze hadden dichtgemaakt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal dichtmaken
jij/je zult dichtmaken
hij/zij/het/u zal dichtmaken
wij/we zullen dichtmaken
jullie zullen dichtmaken
zij/ze zullen dichtmaken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben dichtgemaakt
jij/je zult hebben dichtgemaakt
hij/zij/het/u zal hebben dichtgemaakt
wij/we zullen hebben dichtgemaakt
jullie zullen hebben dichtgemaakt
zij/ze zullen hebben dichtgemaakt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou dichtmaken
jij/je zou dichtmaken
hij/zij/het/u zou dichtmaken
wij/we zouden dichtmaken
jullie zouden dichtmaken
zij/ze zouden dichtmaken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben dichtgemaakt
jij/je zou hebben dichtgemaakt
hij/zij/het/u zou hebben dichtgemaakt
wij/we zouden hebben dichtgemaakt
jullie zouden hebben dichtgemaakt
zij/ze zouden hebben dichtgemaakt
gebiedende wijs: maak dicht
tegenwoordig deelwoord: dichtmakend
voltooid deelwoord: dichtgemaakt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik maak de envelop dicht voor de post.
I seal the envelope for the mail.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Hij heeft het gat in de muur dichtgemaakt.
He sealed up the hole in the wall.
Gebiedende wijsImperative
Maak de pot goed dicht na gebruik.
Close the jar tightly after use.