Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik daal
jij/je daalt
hij/zij/het/u daalt
wij/we dalen
jullie dalen
zij/ze dalen
onvoltooid verleden tijdpast
ik daalde
jij/je daalde
hij/zij/het/u daalde
wij/we daalden
jullie daalden
zij/ze daalden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben gedaald
jij/je bent gedaald
hij/zij/het/u is gedaald
wij/we zijn gedaald
jullie zijn gedaald
zij/ze zijn gedaald
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was gedaald
jij/je was gedaald
hij/zij/het/u was gedaald
wij/we waren gedaald
jullie waren gedaald
zij/ze waren gedaald
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal dalen
jij/je zult dalen
hij/zij/het/u zal dalen
wij/we zullen dalen
jullie zullen dalen
zij/ze zullen dalen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn gedaald
jij/je zult zijn gedaald
hij/zij/het/u zal zijn gedaald
wij/we zullen zijn gedaald
jullie zullen zijn gedaald
zij/ze zullen zijn gedaald
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou dalen
jij/je zou dalen
hij/zij/het/u zou dalen
wij/we zouden dalen
jullie zouden dalen
zij/ze zouden dalen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn gedaald
jij/je zou zijn gedaald
hij/zij/het/u zou zijn gedaald
wij/we zouden zijn gedaald
jullie zouden zijn gedaald
zij/ze zouden zijn gedaald
gebiedende wijs: daal
tegenwoordig deelwoord: dalend
voltooid deelwoord: gedaald
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De temperatuur daalt vannacht tot vijf graden.
The temperature drops to five degrees tonight.
Onvoltooid verleden tijdPast
Het vliegtuig daalde langzaam naar de landingsbaan.
The plane descended slowly toward the runway.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De prijzen zijn deze maand flink gedaald.
Prices have fallen a lot this month.