Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik confronteer
jij/je confronteert
hij/zij/het/u confronteert
wij/we confronteren
jullie confronteren
zij/ze confronteren
onvoltooid verleden tijdpast
ik confronteerde
jij/je confronteerde
hij/zij/het/u confronteerde
wij/we confronteerden
jullie confronteerden
zij/ze confronteerden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geconfronteerd
jij/je hebt geconfronteerd
hij/zij/het/u heeft geconfronteerd
wij/we hebben geconfronteerd
jullie hebben geconfronteerd
zij/ze hebben geconfronteerd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geconfronteerd
jij/je had geconfronteerd
hij/zij/het/u had geconfronteerd
wij/we hadden geconfronteerd
jullie hadden geconfronteerd
zij/ze hadden geconfronteerd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal confronteren
jij/je zult confronteren
hij/zij/het/u zal confronteren
wij/we zullen confronteren
jullie zullen confronteren
zij/ze zullen confronteren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geconfronteerd
jij/je zult hebben geconfronteerd
hij/zij/het/u zal hebben geconfronteerd
wij/we zullen hebben geconfronteerd
jullie zullen hebben geconfronteerd
zij/ze zullen hebben geconfronteerd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou confronteren
jij/je zou confronteren
hij/zij/het/u zou confronteren
wij/we zouden confronteren
jullie zouden confronteren
zij/ze zouden confronteren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geconfronteerd
jij/je zou hebben geconfronteerd
hij/zij/het/u zou hebben geconfronteerd
wij/we zouden hebben geconfronteerd
jullie zouden hebben geconfronteerd
zij/ze zouden hebben geconfronteerd
gebiedende wijs: confronteer
tegenwoordig deelwoord: confronterend
voltooid deelwoord: geconfronteerd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Zij confronteert haar broer met de waarheid.
She confronts her brother with the truth.
Onvoltooid verleden tijdPast
De journalist confronteerde de minister met de cijfers.
The journalist confronted the minister with the figures.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb hem geconfronteerd met zijn fout.
I confronted him with his mistake.