Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik breng
jij/je brengt
hij/zij/het/u brengt
wij/we brengen
jullie brengen
zij/ze brengen
onvoltooid verleden tijdpast
ik bracht
jij/je bracht
hij/zij/het/u bracht
wij/we brachten
jullie brachten
zij/ze brachten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gebracht
jij/je hebt gebracht
hij/zij/het/u heeft gebracht
wij/we hebben gebracht
jullie hebben gebracht
zij/ze hebben gebracht
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gebracht
jij/je had gebracht
hij/zij/het/u had gebracht
wij/we hadden gebracht
jullie hadden gebracht
zij/ze hadden gebracht
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal brengen
jij/je zult brengen
hij/zij/het/u zal brengen
wij/we zullen brengen
jullie zullen brengen
zij/ze zullen brengen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gebracht
jij/je zult hebben gebracht
hij/zij/het/u zal hebben gebracht
wij/we zullen hebben gebracht
jullie zullen hebben gebracht
zij/ze zullen hebben gebracht
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou brengen
jij/je zou brengen
hij/zij/het/u zou brengen
wij/we zouden brengen
jullie zouden brengen
zij/ze zouden brengen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gebracht
jij/je zou hebben gebracht
hij/zij/het/u zou hebben gebracht
wij/we zouden hebben gebracht
jullie zouden hebben gebracht
zij/ze zouden hebben gebracht
gebiedende wijs: breng
tegenwoordig deelwoord: brengend
voltooid deelwoord: gebracht
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik breng de kinderen elke dag naar school.
I bring the children to school every day.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij bracht een zelfgebakken taart mee naar het feest.
She brought a homemade cake to the party.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Zij hebben de kinderen naar school gebracht.
They have brought the children to school.
Voltooid verleden tijdPast perfect
Mijn vader had mij naar het station gebracht.
My father had brought me to the station.