Dutch Conjugations - BRENGEN Hidden OG Image
  polytripper

  


brengen
   
- to bring

strong (sterk) aux: hebben bracht — gebracht


Display tenses in:

Display tenses in:


onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
onvoltooid verleden tijdpast
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect

ik
breng
bracht
heb gebracht
jij/je
brengt
bracht
hebt gebracht
hij/zij/het/u
brengt
bracht
heeft gebracht
wij/we
brengen
brachten
hebben gebracht
jullie
brengen
brachten
hebben gebracht
zij/ze
brengen
brachten
hebben gebracht

voltooid verleden tijdpast perfect
onvoltooid toekomende tijdfuture
voltooid toekomende tijdfuture perfect

ik
had gebracht
zal brengen
zal hebben gebracht
jij/je
had gebracht
zult brengen
zult hebben gebracht
hij/zij/het/u
had gebracht
zal brengen
zal hebben gebracht
wij/we
hadden gebracht
zullen brengen
zullen hebben gebracht
jullie
hadden gebracht
zullen brengen
zullen hebben gebracht
zij/ze
hadden gebracht
zullen brengen
zullen hebben gebracht

onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect

ik
zou brengen
zou hebben gebracht
jij/je
zou brengen
zou hebben gebracht
hij/zij/het/u
zou brengen
zou hebben gebracht
wij/we
zouden brengen
zouden hebben gebracht
jullie
zouden brengen
zouden hebben gebracht
zij/ze
zouden brengen
zouden hebben gebracht

onvoltooid tegenwoordige tijdpresent

ik breng

jij/je brengt

hij/zij/het/u brengt

wij/we brengen

jullie brengen

zij/ze brengen


onvoltooid verleden tijdpast

ik bracht

jij/je bracht

hij/zij/het/u bracht

wij/we brachten

jullie brachten

zij/ze brachten


voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect

ik heb gebracht

jij/je hebt gebracht

hij/zij/het/u heeft gebracht

wij/we hebben gebracht

jullie hebben gebracht

zij/ze hebben gebracht


voltooid verleden tijdpast perfect

ik had gebracht

jij/je had gebracht

hij/zij/het/u had gebracht

wij/we hadden gebracht

jullie hadden gebracht

zij/ze hadden gebracht


onvoltooid toekomende tijdfuture

ik zal brengen

jij/je zult brengen

hij/zij/het/u zal brengen

wij/we zullen brengen

jullie zullen brengen

zij/ze zullen brengen


voltooid toekomende tijdfuture perfect

ik zal hebben gebracht

jij/je zult hebben gebracht

hij/zij/het/u zal hebben gebracht

wij/we zullen hebben gebracht

jullie zullen hebben gebracht

zij/ze zullen hebben gebracht


onvoltooid verleden toekomende tijdconditional

ik zou brengen

jij/je zou brengen

hij/zij/het/u zou brengen

wij/we zouden brengen

jullie zouden brengen

zij/ze zouden brengen


voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect

ik zou hebben gebracht

jij/je zou hebben gebracht

hij/zij/het/u zou hebben gebracht

wij/we zouden hebben gebracht

jullie zouden hebben gebracht

zij/ze zouden hebben gebracht



gebiedende wijs: breng

tegenwoordig deelwoord: brengend

voltooid deelwoord: gebracht


Example Sentences


Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent

Ik breng de kinderen elke dag naar school.

I bring the children to school every day.


Onvoltooid verleden tijdPast

Zij bracht een zelfgebakken taart mee naar het feest.

She brought a homemade cake to the party.


Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect

Zij hebben de kinderen naar school gebracht.

They have brought the children to school.


Voltooid verleden tijdPast perfect

Mijn vader had mij naar het station gebracht.

My father had brought me to the station.