Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik breek
jij/je breekt
hij/zij/het/u breekt
wij/we breken
jullie breken
zij/ze breken
onvoltooid verleden tijdpast
ik brak
jij/je brak
hij/zij/het/u brak
wij/we braken
jullie braken
zij/ze braken
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben/heb gebroken
jij/je bent/hebt gebroken
hij/zij/het/u is/heeft gebroken
wij/we zijn/hebben gebroken
jullie zijn/hebben gebroken
zij/ze zijn/hebben gebroken
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was/had gebroken
jij/je was/had gebroken
hij/zij/het/u was/had gebroken
wij/we waren/hadden gebroken
jullie waren/hadden gebroken
zij/ze waren/hadden gebroken
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal breken
jij/je zult breken
hij/zij/het/u zal breken
wij/we zullen breken
jullie zullen breken
zij/ze zullen breken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn/hebben gebroken
jij/je zult zijn/hebben gebroken
hij/zij/het/u zal zijn/hebben gebroken
wij/we zullen zijn/hebben gebroken
jullie zullen zijn/hebben gebroken
zij/ze zullen zijn/hebben gebroken
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou breken
jij/je zou breken
hij/zij/het/u zou breken
wij/we zouden breken
jullie zouden breken
zij/ze zouden breken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn/hebben gebroken
jij/je zou zijn/hebben gebroken
hij/zij/het/u zou zijn/hebben gebroken
wij/we zouden zijn/hebben gebroken
jullie zouden zijn/hebben gebroken
zij/ze zouden zijn/hebben gebroken
gebiedende wijs: breek
tegenwoordig deelwoord: brekend
voltooid deelwoord: gebroken
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Dun ijs breekt heel makkelijk.
Thin ice breaks very easily.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij brak zijn arm tijdens het voetballen.
He broke his arm while playing football.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Het kopje is in twee stukken gebroken.
The cup broke into two pieces.