Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik bouw
jij/je bouwt
hij/zij/het/u bouwt
wij/we bouwen
jullie bouwen
zij/ze bouwen
onvoltooid verleden tijdpast
ik bouwde
jij/je bouwde
hij/zij/het/u bouwde
wij/we bouwden
jullie bouwden
zij/ze bouwden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gebouwd
jij/je hebt gebouwd
hij/zij/het/u heeft gebouwd
wij/we hebben gebouwd
jullie hebben gebouwd
zij/ze hebben gebouwd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gebouwd
jij/je had gebouwd
hij/zij/het/u had gebouwd
wij/we hadden gebouwd
jullie hadden gebouwd
zij/ze hadden gebouwd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal bouwen
jij/je zult bouwen
hij/zij/het/u zal bouwen
wij/we zullen bouwen
jullie zullen bouwen
zij/ze zullen bouwen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gebouwd
jij/je zult hebben gebouwd
hij/zij/het/u zal hebben gebouwd
wij/we zullen hebben gebouwd
jullie zullen hebben gebouwd
zij/ze zullen hebben gebouwd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou bouwen
jij/je zou bouwen
hij/zij/het/u zou bouwen
wij/we zouden bouwen
jullie zouden bouwen
zij/ze zouden bouwen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gebouwd
jij/je zou hebben gebouwd
hij/zij/het/u zou hebben gebouwd
wij/we zouden hebben gebouwd
jullie zouden hebben gebouwd
zij/ze zouden hebben gebouwd
gebiedende wijs: bouw
tegenwoordig deelwoord: bouwend
voltooid deelwoord: gebouwd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De kinderen bouwen een hut in de tuin.
The children are building a hut in the garden.
Onvoltooid verleden tijdPast
Mijn vader bouwde vroeger zelf onze schuur.
My father built our shed himself back then.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Zij zullen hier volgend jaar een school bouwen.
They will build a school here next year.
Voltooid verleden toekomende tijdConditional perfect
Met meer geld zouden zij een groter huis hebben gebouwd.
With more money, they would have built a bigger house.