Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik boer
jij/je boert
hij/zij/het/u boert
wij/we boeren
jullie boeren
zij/ze boeren
onvoltooid verleden tijdpast
ik boerde
jij/je boerde
hij/zij/het/u boerde
wij/we boerden
jullie boerden
zij/ze boerden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geboerd
jij/je hebt geboerd
hij/zij/het/u heeft geboerd
wij/we hebben geboerd
jullie hebben geboerd
zij/ze hebben geboerd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geboerd
jij/je had geboerd
hij/zij/het/u had geboerd
wij/we hadden geboerd
jullie hadden geboerd
zij/ze hadden geboerd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal boeren
jij/je zult boeren
hij/zij/het/u zal boeren
wij/we zullen boeren
jullie zullen boeren
zij/ze zullen boeren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geboerd
jij/je zult hebben geboerd
hij/zij/het/u zal hebben geboerd
wij/we zullen hebben geboerd
jullie zullen hebben geboerd
zij/ze zullen hebben geboerd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou boeren
jij/je zou boeren
hij/zij/het/u zou boeren
wij/we zouden boeren
jullie zouden boeren
zij/ze zouden boeren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geboerd
jij/je zou hebben geboerd
hij/zij/het/u zou hebben geboerd
wij/we zouden hebben geboerd
jullie zouden hebben geboerd
zij/ze zouden hebben geboerd
gebiedende wijs: boer
tegenwoordig deelwoord: boerend
voltooid deelwoord: geboerd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De baby boert na elke fles.
The baby burps after every bottle.
Onvoltooid verleden tijdPast
Mijn broertje boerde luid aan tafel.
My little brother burped loudly at the table.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Hij heeft per ongeluk hard geboerd.
He accidentally burped loudly.