Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik blus
jij/je blust
hij/zij/het/u blust
wij/we blussen
jullie blussen
zij/ze blussen
onvoltooid verleden tijdpast
ik bluste
jij/je bluste
hij/zij/het/u bluste
wij/we blusten
jullie blusten
zij/ze blusten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geblust
jij/je hebt geblust
hij/zij/het/u heeft geblust
wij/we hebben geblust
jullie hebben geblust
zij/ze hebben geblust
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geblust
jij/je had geblust
hij/zij/het/u had geblust
wij/we hadden geblust
jullie hadden geblust
zij/ze hadden geblust
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal blussen
jij/je zult blussen
hij/zij/het/u zal blussen
wij/we zullen blussen
jullie zullen blussen
zij/ze zullen blussen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geblust
jij/je zult hebben geblust
hij/zij/het/u zal hebben geblust
wij/we zullen hebben geblust
jullie zullen hebben geblust
zij/ze zullen hebben geblust
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou blussen
jij/je zou blussen
hij/zij/het/u zou blussen
wij/we zouden blussen
jullie zouden blussen
zij/ze zouden blussen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geblust
jij/je zou hebben geblust
hij/zij/het/u zou hebben geblust
wij/we zouden hebben geblust
jullie zouden hebben geblust
zij/ze zouden hebben geblust
gebiedende wijs: blus
tegenwoordig deelwoord: blussend
voltooid deelwoord: geblust
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De brandweer blust het vuur snel.
The fire brigade puts out the fire quickly.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij bluste het kampvuur met water.
He put out the campfire with water.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De buren hebben het vuurtje zelf geblust.
The neighbors put out the small fire themselves.