Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik bloei
jij/je bloeit
hij/zij/het/u bloeit
wij/we bloeien
jullie bloeien
zij/ze bloeien
onvoltooid verleden tijdpast
ik bloeide
jij/je bloeide
hij/zij/het/u bloeide
wij/we bloeiden
jullie bloeiden
zij/ze bloeiden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gebloeid
jij/je hebt gebloeid
hij/zij/het/u heeft gebloeid
wij/we hebben gebloeid
jullie hebben gebloeid
zij/ze hebben gebloeid
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gebloeid
jij/je had gebloeid
hij/zij/het/u had gebloeid
wij/we hadden gebloeid
jullie hadden gebloeid
zij/ze hadden gebloeid
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal bloeien
jij/je zult bloeien
hij/zij/het/u zal bloeien
wij/we zullen bloeien
jullie zullen bloeien
zij/ze zullen bloeien
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gebloeid
jij/je zult hebben gebloeid
hij/zij/het/u zal hebben gebloeid
wij/we zullen hebben gebloeid
jullie zullen hebben gebloeid
zij/ze zullen hebben gebloeid
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou bloeien
jij/je zou bloeien
hij/zij/het/u zou bloeien
wij/we zouden bloeien
jullie zouden bloeien
zij/ze zouden bloeien
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gebloeid
jij/je zou hebben gebloeid
hij/zij/het/u zou hebben gebloeid
wij/we zouden hebben gebloeid
jullie zouden hebben gebloeid
zij/ze zouden hebben gebloeid
gebiedende wijs: bloei
tegenwoordig deelwoord: bloeiend
voltooid deelwoord: gebloeid
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De tulpen bloeien mooi in de tuin.
The tulips are blooming beautifully in the garden.
Onvoltooid verleden tijdPast
De kersenboom bloeide vorig jaar heel vroeg.
The cherry tree bloomed very early last year.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
De rozen zullen in juni weer bloeien.
The roses will bloom again in June.