Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik blijk
jij/je blijkt
hij/zij/het/u blijkt
wij/we blijken
jullie blijken
zij/ze blijken
onvoltooid verleden tijdpast
ik bleek
jij/je bleek
hij/zij/het/u bleek
wij/we bleken
jullie bleken
zij/ze bleken
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben gebleken
jij/je bent gebleken
hij/zij/het/u is gebleken
wij/we zijn gebleken
jullie zijn gebleken
zij/ze zijn gebleken
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was gebleken
jij/je was gebleken
hij/zij/het/u was gebleken
wij/we waren gebleken
jullie waren gebleken
zij/ze waren gebleken
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal blijken
jij/je zult blijken
hij/zij/het/u zal blijken
wij/we zullen blijken
jullie zullen blijken
zij/ze zullen blijken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn gebleken
jij/je zult zijn gebleken
hij/zij/het/u zal zijn gebleken
wij/we zullen zijn gebleken
jullie zullen zijn gebleken
zij/ze zullen zijn gebleken
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou blijken
jij/je zou blijken
hij/zij/het/u zou blijken
wij/we zouden blijken
jullie zouden blijken
zij/ze zouden blijken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn gebleken
jij/je zou zijn gebleken
hij/zij/het/u zou zijn gebleken
wij/we zouden zijn gebleken
jullie zouden zijn gebleken
zij/ze zouden zijn gebleken
gebiedende wijs: --
tegenwoordig deelwoord: blijkend
voltooid deelwoord: gebleken
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De oplossing blijkt heel simpel.
The solution turns out to be very simple.
Onvoltooid verleden tijdPast
De trein bleek een uur vertraagd.
The train turned out to be an hour delayed.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Dat is later een misverstand gebleken.
That later turned out to be a misunderstanding.
Voltooid verleden tijdPast perfect
Al snel was gebleken dat hij gelijk had.
It had soon become clear that he was right.