Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik bijt
jij/je bijt
hij/zij/het/u bijt
wij/we bijten
jullie bijten
zij/ze bijten
onvoltooid verleden tijdpast
ik beet
jij/je beet
hij/zij/het/u beet
wij/we beten
jullie beten
zij/ze beten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gebeten
jij/je hebt gebeten
hij/zij/het/u heeft gebeten
wij/we hebben gebeten
jullie hebben gebeten
zij/ze hebben gebeten
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gebeten
jij/je had gebeten
hij/zij/het/u had gebeten
wij/we hadden gebeten
jullie hadden gebeten
zij/ze hadden gebeten
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal bijten
jij/je zult bijten
hij/zij/het/u zal bijten
wij/we zullen bijten
jullie zullen bijten
zij/ze zullen bijten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gebeten
jij/je zult hebben gebeten
hij/zij/het/u zal hebben gebeten
wij/we zullen hebben gebeten
jullie zullen hebben gebeten
zij/ze zullen hebben gebeten
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou bijten
jij/je zou bijten
hij/zij/het/u zou bijten
wij/we zouden bijten
jullie zouden bijten
zij/ze zouden bijten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gebeten
jij/je zou hebben gebeten
hij/zij/het/u zou hebben gebeten
wij/we zouden hebben gebeten
jullie zouden hebben gebeten
zij/ze zouden hebben gebeten
gebiedende wijs: bijt
tegenwoordig deelwoord: bijtend
voltooid deelwoord: gebeten
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De puppy bijt graag in oude schoenen.
The puppy likes to bite old shoes.
Onvoltooid verleden tijdPast
De hond beet gisteren in mijn broek.
The dog bit my trousers yesterday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De kat heeft de postbode nooit gebeten.
The cat has never bitten the mailman.