Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik bid
jij/je bidt
hij/zij/het/u bidt
wij/we bidden
jullie bidden
zij/ze bidden
onvoltooid verleden tijdpast
ik bad
jij/je bad
hij/zij/het/u bad
wij/we baden
jullie baden
zij/ze baden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gebeden
jij/je hebt gebeden
hij/zij/het/u heeft gebeden
wij/we hebben gebeden
jullie hebben gebeden
zij/ze hebben gebeden
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gebeden
jij/je had gebeden
hij/zij/het/u had gebeden
wij/we hadden gebeden
jullie hadden gebeden
zij/ze hadden gebeden
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal bidden
jij/je zult bidden
hij/zij/het/u zal bidden
wij/we zullen bidden
jullie zullen bidden
zij/ze zullen bidden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gebeden
jij/je zult hebben gebeden
hij/zij/het/u zal hebben gebeden
wij/we zullen hebben gebeden
jullie zullen hebben gebeden
zij/ze zullen hebben gebeden
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou bidden
jij/je zou bidden
hij/zij/het/u zou bidden
wij/we zouden bidden
jullie zouden bidden
zij/ze zouden bidden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gebeden
jij/je zou hebben gebeden
hij/zij/het/u zou hebben gebeden
wij/we zouden hebben gebeden
jullie zouden hebben gebeden
zij/ze zouden hebben gebeden
gebiedende wijs: bid
tegenwoordig deelwoord: biddend
voltooid deelwoord: gebeden
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Mijn moeder bidt elke avond in stilte.
My mother prays quietly every evening.
Onvoltooid verleden tijdPast
Wij baden samen voor het eten.
We prayed together before the meal.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Hij heeft in de kerk voor zijn familie gebeden.
He prayed for his family in the church.