Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik bezorg
jij/je bezorgt
hij/zij/het/u bezorgt
wij/we bezorgen
jullie bezorgen
zij/ze bezorgen
onvoltooid verleden tijdpast
ik bezorgde
jij/je bezorgde
hij/zij/het/u bezorgde
wij/we bezorgden
jullie bezorgden
zij/ze bezorgden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb bezorgd
jij/je hebt bezorgd
hij/zij/het/u heeft bezorgd
wij/we hebben bezorgd
jullie hebben bezorgd
zij/ze hebben bezorgd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had bezorgd
jij/je had bezorgd
hij/zij/het/u had bezorgd
wij/we hadden bezorgd
jullie hadden bezorgd
zij/ze hadden bezorgd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal bezorgen
jij/je zult bezorgen
hij/zij/het/u zal bezorgen
wij/we zullen bezorgen
jullie zullen bezorgen
zij/ze zullen bezorgen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben bezorgd
jij/je zult hebben bezorgd
hij/zij/het/u zal hebben bezorgd
wij/we zullen hebben bezorgd
jullie zullen hebben bezorgd
zij/ze zullen hebben bezorgd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou bezorgen
jij/je zou bezorgen
hij/zij/het/u zou bezorgen
wij/we zouden bezorgen
jullie zouden bezorgen
zij/ze zouden bezorgen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben bezorgd
jij/je zou hebben bezorgd
hij/zij/het/u zou hebben bezorgd
wij/we zouden hebben bezorgd
jullie zouden hebben bezorgd
zij/ze zouden hebben bezorgd
gebiedende wijs: bezorg
tegenwoordig deelwoord: bezorgend
voltooid deelwoord: bezorgd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De postbode bezorgt de pakjes rond twaalf uur.
The mailman delivers the packages around noon.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij bezorgde vroeger kranten in de wijk.
He used to deliver newspapers in the neighborhood.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
De winkel zal de koelkast morgen bezorgen.
The shop will deliver the fridge tomorrow.
Voltooid verleden tijdPast perfect
De postbode had het pakje al bezorgd toen ik thuiskwam.
The postman had already delivered the package when I came home.