Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik bezit
jij/je bezit
hij/zij/het/u bezit
wij/we bezitten
jullie bezitten
zij/ze bezitten
onvoltooid verleden tijdpast
ik bezat
jij/je bezat
hij/zij/het/u bezat
wij/we bezaten
jullie bezaten
zij/ze bezaten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb bezeten
jij/je hebt bezeten
hij/zij/het/u heeft bezeten
wij/we hebben bezeten
jullie hebben bezeten
zij/ze hebben bezeten
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had bezeten
jij/je had bezeten
hij/zij/het/u had bezeten
wij/we hadden bezeten
jullie hadden bezeten
zij/ze hadden bezeten
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal bezitten
jij/je zult bezitten
hij/zij/het/u zal bezitten
wij/we zullen bezitten
jullie zullen bezitten
zij/ze zullen bezitten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben bezeten
jij/je zult hebben bezeten
hij/zij/het/u zal hebben bezeten
wij/we zullen hebben bezeten
jullie zullen hebben bezeten
zij/ze zullen hebben bezeten
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou bezitten
jij/je zou bezitten
hij/zij/het/u zou bezitten
wij/we zouden bezitten
jullie zouden bezitten
zij/ze zouden bezitten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben bezeten
jij/je zou hebben bezeten
hij/zij/het/u zou hebben bezeten
wij/we zouden hebben bezeten
jullie zouden hebben bezeten
zij/ze zouden hebben bezeten
gebiedende wijs: bezit
tegenwoordig deelwoord: bezittend
voltooid deelwoord: bezeten
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Mijn oom bezit twee huizen aan zee.
My uncle owns two houses by the sea.
Onvoltooid verleden tijdPast
De familie bezat vroeger een boerderij.
The family used to own a farm.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Hij heeft nooit een auto bezeten.
He has never owned a car.