Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik bezet
jij/je bezet
hij/zij/het/u bezet
wij/we bezetten
jullie bezetten
zij/ze bezetten
onvoltooid verleden tijdpast
ik bezette
jij/je bezette
hij/zij/het/u bezette
wij/we bezetten
jullie bezetten
zij/ze bezetten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb bezet
jij/je hebt bezet
hij/zij/het/u heeft bezet
wij/we hebben bezet
jullie hebben bezet
zij/ze hebben bezet
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had bezet
jij/je had bezet
hij/zij/het/u had bezet
wij/we hadden bezet
jullie hadden bezet
zij/ze hadden bezet
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal bezetten
jij/je zult bezetten
hij/zij/het/u zal bezetten
wij/we zullen bezetten
jullie zullen bezetten
zij/ze zullen bezetten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben bezet
jij/je zult hebben bezet
hij/zij/het/u zal hebben bezet
wij/we zullen hebben bezet
jullie zullen hebben bezet
zij/ze zullen hebben bezet
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou bezetten
jij/je zou bezetten
hij/zij/het/u zou bezetten
wij/we zouden bezetten
jullie zouden bezetten
zij/ze zouden bezetten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben bezet
jij/je zou hebben bezet
hij/zij/het/u zou hebben bezet
wij/we zouden hebben bezet
jullie zouden hebben bezet
zij/ze zouden hebben bezet
gebiedende wijs: bezet
tegenwoordig deelwoord: bezet t
voltooid deelwoord: bezet
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De toeristen bezetten alle bankjes in het park.
The tourists occupy all the benches in the park.
Onvoltooid verleden tijdPast
Mijn zus bezette de badkamer een half uur.
My sister occupied the bathroom for half an hour.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De gasten hebben alle stoelen bezet.
The guests have occupied all the chairs.
Voltooid toekomende tijdFuture perfect
De studenten zullen tegen de middag alle tafels hebben bezet.
By noon the students will have occupied all the tables.