Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik beweer
jij/je beweert
hij/zij/het/u beweert
wij/we beweren
jullie beweren
zij/ze beweren
onvoltooid verleden tijdpast
ik beweerde
jij/je beweerde
hij/zij/het/u beweerde
wij/we beweerden
jullie beweerden
zij/ze beweerden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb beweerd
jij/je hebt beweerd
hij/zij/het/u heeft beweerd
wij/we hebben beweerd
jullie hebben beweerd
zij/ze hebben beweerd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had beweerd
jij/je had beweerd
hij/zij/het/u had beweerd
wij/we hadden beweerd
jullie hadden beweerd
zij/ze hadden beweerd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal beweren
jij/je zult beweren
hij/zij/het/u zal beweren
wij/we zullen beweren
jullie zullen beweren
zij/ze zullen beweren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben beweerd
jij/je zult hebben beweerd
hij/zij/het/u zal hebben beweerd
wij/we zullen hebben beweerd
jullie zullen hebben beweerd
zij/ze zullen hebben beweerd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou beweren
jij/je zou beweren
hij/zij/het/u zou beweren
wij/we zouden beweren
jullie zouden beweren
zij/ze zouden beweren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben beweerd
jij/je zou hebben beweerd
hij/zij/het/u zou hebben beweerd
wij/we zouden hebben beweerd
jullie zouden hebben beweerd
zij/ze zouden hebben beweerd
gebiedende wijs: beweer
tegenwoordig deelwoord: bewerend
voltooid deelwoord: beweerd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Mijn broer beweert altijd het tegenovergestelde.
My brother always claims the opposite.
Onvoltooid verleden tijdPast
De verkoper beweerde iets heel anders.
The salesman claimed something quite different.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Zij heeft dat nooit beweerd.
She has never claimed that.