Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik bevries
jij/je bevriest
hij/zij/het/u bevriest
wij/we bevriezen
jullie bevriezen
zij/ze bevriezen
onvoltooid verleden tijdpast
ik bevroor
jij/je bevroor
hij/zij/het/u bevroor
wij/we bevroren
jullie bevroren
zij/ze bevroren
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben/heb bevroren
jij/je bent/hebt bevroren
hij/zij/het/u is/heeft bevroren
wij/we zijn/hebben bevroren
jullie zijn/hebben bevroren
zij/ze zijn/hebben bevroren
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was/had bevroren
jij/je was/had bevroren
hij/zij/het/u was/had bevroren
wij/we waren/hadden bevroren
jullie waren/hadden bevroren
zij/ze waren/hadden bevroren
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal bevriezen
jij/je zult bevriezen
hij/zij/het/u zal bevriezen
wij/we zullen bevriezen
jullie zullen bevriezen
zij/ze zullen bevriezen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn/hebben bevroren
jij/je zult zijn/hebben bevroren
hij/zij/het/u zal zijn/hebben bevroren
wij/we zullen zijn/hebben bevroren
jullie zullen zijn/hebben bevroren
zij/ze zullen zijn/hebben bevroren
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou bevriezen
jij/je zou bevriezen
hij/zij/het/u zou bevriezen
wij/we zouden bevriezen
jullie zouden bevriezen
zij/ze zouden bevriezen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn/hebben bevroren
jij/je zou zijn/hebben bevroren
hij/zij/het/u zou zijn/hebben bevroren
wij/we zouden zijn/hebben bevroren
jullie zouden zijn/hebben bevroren
zij/ze zouden zijn/hebben bevroren
gebiedende wijs: bevries
tegenwoordig deelwoord: bevriezend
voltooid deelwoord: bevroren
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Het water in de vijver bevriest vannacht.
The water in the pond freezes tonight.
Onvoltooid verleden tijdPast
Vorige winter bevroor het meer helemaal.
Last winter the lake froze completely.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De waterleiding is vannacht bevroren.
The water pipe froze last night.