Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik bestuur
jij/je bestuurt
hij/zij/het/u bestuurt
wij/we besturen
jullie besturen
zij/ze besturen
onvoltooid verleden tijdpast
ik bestuurde
jij/je bestuurde
hij/zij/het/u bestuurde
wij/we bestuurden
jullie bestuurden
zij/ze bestuurden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb bestuurd
jij/je hebt bestuurd
hij/zij/het/u heeft bestuurd
wij/we hebben bestuurd
jullie hebben bestuurd
zij/ze hebben bestuurd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had bestuurd
jij/je had bestuurd
hij/zij/het/u had bestuurd
wij/we hadden bestuurd
jullie hadden bestuurd
zij/ze hadden bestuurd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal besturen
jij/je zult besturen
hij/zij/het/u zal besturen
wij/we zullen besturen
jullie zullen besturen
zij/ze zullen besturen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben bestuurd
jij/je zult hebben bestuurd
hij/zij/het/u zal hebben bestuurd
wij/we zullen hebben bestuurd
jullie zullen hebben bestuurd
zij/ze zullen hebben bestuurd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou besturen
jij/je zou besturen
hij/zij/het/u zou besturen
wij/we zouden besturen
jullie zouden besturen
zij/ze zouden besturen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben bestuurd
jij/je zou hebben bestuurd
hij/zij/het/u zou hebben bestuurd
wij/we zouden hebben bestuurd
jullie zouden hebben bestuurd
zij/ze zouden hebben bestuurd
gebiedende wijs: bestuur
tegenwoordig deelwoord: besturend
voltooid deelwoord: bestuurd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Mijn zus bestuurt de bus door de stad.
My sister drives the bus through the city.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij bestuurde jarenlang een kleine vereniging.
He ran a small club for years.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb nog nooit een boot bestuurd.
I have never steered a boat.