Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik besluit
jij/je besluit
hij/zij/het/u besluit
wij/we besluiten
jullie besluiten
zij/ze besluiten
onvoltooid verleden tijdpast
ik besloot
jij/je besloot
hij/zij/het/u besloot
wij/we besloten
jullie besloten
zij/ze besloten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb besloten
jij/je hebt besloten
hij/zij/het/u heeft besloten
wij/we hebben besloten
jullie hebben besloten
zij/ze hebben besloten
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had besloten
jij/je had besloten
hij/zij/het/u had besloten
wij/we hadden besloten
jullie hadden besloten
zij/ze hadden besloten
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal besluiten
jij/je zult besluiten
hij/zij/het/u zal besluiten
wij/we zullen besluiten
jullie zullen besluiten
zij/ze zullen besluiten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben besloten
jij/je zult hebben besloten
hij/zij/het/u zal hebben besloten
wij/we zullen hebben besloten
jullie zullen hebben besloten
zij/ze zullen hebben besloten
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou besluiten
jij/je zou besluiten
hij/zij/het/u zou besluiten
wij/we zouden besluiten
jullie zouden besluiten
zij/ze zouden besluiten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben besloten
jij/je zou hebben besloten
hij/zij/het/u zou hebben besloten
wij/we zouden hebben besloten
jullie zouden hebben besloten
zij/ze zouden hebben besloten
gebiedende wijs: besluit
tegenwoordig deelwoord: besluitend
voltooid deelwoord: besloten
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Hij besluit de les met een korte quiz.
He concludes the lesson with a short quiz.
Onvoltooid verleden tijdPast
Wij besloten samen naar zee te gaan.
We decided together to go to the seaside.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Zij heeft besloten een nieuwe fiets te kopen.
She has decided to buy a new bike.