Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik bereid
jij/je bereidt
hij/zij/het/u bereidt
wij/we bereiden
jullie bereiden
zij/ze bereiden
onvoltooid verleden tijdpast
ik bereidde
jij/je bereidde
hij/zij/het/u bereidde
wij/we bereidden
jullie bereidden
zij/ze bereidden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb bereid
jij/je hebt bereid
hij/zij/het/u heeft bereid
wij/we hebben bereid
jullie hebben bereid
zij/ze hebben bereid
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had bereid
jij/je had bereid
hij/zij/het/u had bereid
wij/we hadden bereid
jullie hadden bereid
zij/ze hadden bereid
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal bereiden
jij/je zult bereiden
hij/zij/het/u zal bereiden
wij/we zullen bereiden
jullie zullen bereiden
zij/ze zullen bereiden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben bereid
jij/je zult hebben bereid
hij/zij/het/u zal hebben bereid
wij/we zullen hebben bereid
jullie zullen hebben bereid
zij/ze zullen hebben bereid
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou bereiden
jij/je zou bereiden
hij/zij/het/u zou bereiden
wij/we zouden bereiden
jullie zouden bereiden
zij/ze zouden bereiden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben bereid
jij/je zou hebben bereid
hij/zij/het/u zou hebben bereid
wij/we zouden hebben bereid
jullie zouden hebben bereid
zij/ze zouden hebben bereid
gebiedende wijs: bereid
tegenwoordig deelwoord: bereidend
voltooid deelwoord: bereid
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik bereid vanavond een verse soep.
I am preparing a fresh soup tonight.
Onvoltooid verleden tijdPast
Oma bereidde vroeger alles zelf.
Grandma used to prepare everything herself.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De kok heeft een heerlijke maaltijd bereid.
The chef has prepared a delicious meal.