Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik bepaal
jij/je bepaalt
hij/zij/het/u bepaalt
wij/we bepalen
jullie bepalen
zij/ze bepalen
onvoltooid verleden tijdpast
ik bepaalde
jij/je bepaalde
hij/zij/het/u bepaalde
wij/we bepaalden
jullie bepaalden
zij/ze bepaalden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb bepaald
jij/je hebt bepaald
hij/zij/het/u heeft bepaald
wij/we hebben bepaald
jullie hebben bepaald
zij/ze hebben bepaald
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had bepaald
jij/je had bepaald
hij/zij/het/u had bepaald
wij/we hadden bepaald
jullie hadden bepaald
zij/ze hadden bepaald
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal bepalen
jij/je zult bepalen
hij/zij/het/u zal bepalen
wij/we zullen bepalen
jullie zullen bepalen
zij/ze zullen bepalen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben bepaald
jij/je zult hebben bepaald
hij/zij/het/u zal hebben bepaald
wij/we zullen hebben bepaald
jullie zullen hebben bepaald
zij/ze zullen hebben bepaald
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou bepalen
jij/je zou bepalen
hij/zij/het/u zou bepalen
wij/we zouden bepalen
jullie zouden bepalen
zij/ze zouden bepalen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben bepaald
jij/je zou hebben bepaald
hij/zij/het/u zou hebben bepaald
wij/we zouden hebben bepaald
jullie zouden hebben bepaald
zij/ze zouden hebben bepaald
gebiedende wijs: bepaal
tegenwoordig deelwoord: bepalend
voltooid deelwoord: bepaald
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Het weer bepaalt vaak onze plannen.
The weather often determines our plans.
Onvoltooid verleden tijdPast
De trainer bepaalde de opstelling van het team.
The coach decided the team's line-up.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben samen de datum bepaald.
We have set the date together.
Voltooid verleden toekomende tijdConditional perfect
Zonder jouw advies zou ik een andere datum hebben bepaald.
Without your advice, I would have decided on another date.