Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik beloof
jij/je belooft
hij/zij/het/u belooft
wij/we beloven
jullie beloven
zij/ze beloven
onvoltooid verleden tijdpast
ik beloofde
jij/je beloofde
hij/zij/het/u beloofde
wij/we beloofden
jullie beloofden
zij/ze beloofden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb beloofd
jij/je hebt beloofd
hij/zij/het/u heeft beloofd
wij/we hebben beloofd
jullie hebben beloofd
zij/ze hebben beloofd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had beloofd
jij/je had beloofd
hij/zij/het/u had beloofd
wij/we hadden beloofd
jullie hadden beloofd
zij/ze hadden beloofd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal beloven
jij/je zult beloven
hij/zij/het/u zal beloven
wij/we zullen beloven
jullie zullen beloven
zij/ze zullen beloven
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben beloofd
jij/je zult hebben beloofd
hij/zij/het/u zal hebben beloofd
wij/we zullen hebben beloofd
jullie zullen hebben beloofd
zij/ze zullen hebben beloofd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou beloven
jij/je zou beloven
hij/zij/het/u zou beloven
wij/we zouden beloven
jullie zouden beloven
zij/ze zouden beloven
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben beloofd
jij/je zou hebben beloofd
hij/zij/het/u zou hebben beloofd
wij/we zouden hebben beloofd
jullie zouden hebben beloofd
zij/ze zouden hebben beloofd
gebiedende wijs: beloof
tegenwoordig deelwoord: belovend
voltooid deelwoord: beloofd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Jij belooft altijd te veel.
You always promise too much.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Papa heeft ons een uitstapje beloofd.
Dad has promised us a day trip.
Gebiedende wijsImperative
Beloof niet te veel aan je vrienden.
Don't promise too much to your friends.
Voltooid verleden tijdPast perfect
Ik had mijn moeder beloofd om vroeg thuis te komen.
I had promised my mother to come home early.