Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik bel
jij/je belt
hij/zij/het/u belt
wij/we bellen
jullie bellen
zij/ze bellen
onvoltooid verleden tijdpast
ik belde
jij/je belde
hij/zij/het/u belde
wij/we belden
jullie belden
zij/ze belden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gebeld
jij/je hebt gebeld
hij/zij/het/u heeft gebeld
wij/we hebben gebeld
jullie hebben gebeld
zij/ze hebben gebeld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gebeld
jij/je had gebeld
hij/zij/het/u had gebeld
wij/we hadden gebeld
jullie hadden gebeld
zij/ze hadden gebeld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal bellen
jij/je zult bellen
hij/zij/het/u zal bellen
wij/we zullen bellen
jullie zullen bellen
zij/ze zullen bellen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gebeld
jij/je zult hebben gebeld
hij/zij/het/u zal hebben gebeld
wij/we zullen hebben gebeld
jullie zullen hebben gebeld
zij/ze zullen hebben gebeld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou bellen
jij/je zou bellen
hij/zij/het/u zou bellen
wij/we zouden bellen
jullie zouden bellen
zij/ze zouden bellen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gebeld
jij/je zou hebben gebeld
hij/zij/het/u zou hebben gebeld
wij/we zouden hebben gebeld
jullie zouden hebben gebeld
zij/ze zouden hebben gebeld
gebiedende wijs: bel
tegenwoordig deelwoord: bellend
voltooid deelwoord: gebeld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik bel elke zondag mijn oma.
I call my grandma every Sunday.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij belde gisteren naar de dokter.
He called the doctor yesterday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben het hotel al gebeld.
We have already called the hotel.