Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik behaal
jij/je behaalt
hij/zij/het/u behaalt
wij/we behalen
jullie behalen
zij/ze behalen
onvoltooid verleden tijdpast
ik behaalde
jij/je behaalde
hij/zij/het/u behaalde
wij/we behaalden
jullie behaalden
zij/ze behaalden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb behaald
jij/je hebt behaald
hij/zij/het/u heeft behaald
wij/we hebben behaald
jullie hebben behaald
zij/ze hebben behaald
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had behaald
jij/je had behaald
hij/zij/het/u had behaald
wij/we hadden behaald
jullie hadden behaald
zij/ze hadden behaald
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal behalen
jij/je zult behalen
hij/zij/het/u zal behalen
wij/we zullen behalen
jullie zullen behalen
zij/ze zullen behalen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben behaald
jij/je zult hebben behaald
hij/zij/het/u zal hebben behaald
wij/we zullen hebben behaald
jullie zullen hebben behaald
zij/ze zullen hebben behaald
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou behalen
jij/je zou behalen
hij/zij/het/u zou behalen
wij/we zouden behalen
jullie zouden behalen
zij/ze zouden behalen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben behaald
jij/je zou hebben behaald
hij/zij/het/u zou hebben behaald
wij/we zouden hebben behaald
jullie zouden hebben behaald
zij/ze zouden hebben behaald
gebiedende wijs: behaal
tegenwoordig deelwoord: behalend
voltooid deelwoord: behaald
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Jij behaalt altijd goede cijfers op school.
You always get good grades at school.
Onvoltooid verleden tijdPast
Het team behaalde gisteren een mooie overwinning.
The team achieved a fine victory yesterday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Hij heeft zijn rijbewijs eindelijk behaald.
He has finally obtained his driving license.