Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik bedrieg
jij/je bedriegt
hij/zij/het/u bedriegt
wij/we bedriegen
jullie bedriegen
zij/ze bedriegen
onvoltooid verleden tijdpast
ik bedroog
jij/je bedroog
hij/zij/het/u bedroog
wij/we bedrogen
jullie bedrogen
zij/ze bedrogen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb bedrogen
jij/je hebt bedrogen
hij/zij/het/u heeft bedrogen
wij/we hebben bedrogen
jullie hebben bedrogen
zij/ze hebben bedrogen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had bedrogen
jij/je had bedrogen
hij/zij/het/u had bedrogen
wij/we hadden bedrogen
jullie hadden bedrogen
zij/ze hadden bedrogen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal bedriegen
jij/je zult bedriegen
hij/zij/het/u zal bedriegen
wij/we zullen bedriegen
jullie zullen bedriegen
zij/ze zullen bedriegen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben bedrogen
jij/je zult hebben bedrogen
hij/zij/het/u zal hebben bedrogen
wij/we zullen hebben bedrogen
jullie zullen hebben bedrogen
zij/ze zullen hebben bedrogen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou bedriegen
jij/je zou bedriegen
hij/zij/het/u zou bedriegen
wij/we zouden bedriegen
jullie zouden bedriegen
zij/ze zouden bedriegen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben bedrogen
jij/je zou hebben bedrogen
hij/zij/het/u zou hebben bedrogen
wij/we zouden hebben bedrogen
jullie zouden hebben bedrogen
zij/ze zouden hebben bedrogen
gebiedende wijs: bedrieg
tegenwoordig deelwoord: bedriegend
voltooid deelwoord: bedrogen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De verkoper bedriegt zijn klanten nooit.
The salesman never deceives his customers.
Onvoltooid verleden tijdPast
De goochelaar bedroog het publiek met een truc.
The magician fooled the audience with a trick.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Mijn ogen hebben me gisteren bedrogen.
My eyes deceived me yesterday.