Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik bedel
jij/je bedelt
hij/zij/het/u bedelt
wij/we bedelen
jullie bedelen
zij/ze bedelen
onvoltooid verleden tijdpast
ik bedelde
jij/je bedelde
hij/zij/het/u bedelde
wij/we bedelden
jullie bedelden
zij/ze bedelden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gebedeld
jij/je hebt gebedeld
hij/zij/het/u heeft gebedeld
wij/we hebben gebedeld
jullie hebben gebedeld
zij/ze hebben gebedeld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gebedeld
jij/je had gebedeld
hij/zij/het/u had gebedeld
wij/we hadden gebedeld
jullie hadden gebedeld
zij/ze hadden gebedeld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal bedelen
jij/je zult bedelen
hij/zij/het/u zal bedelen
wij/we zullen bedelen
jullie zullen bedelen
zij/ze zullen bedelen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gebedeld
jij/je zult hebben gebedeld
hij/zij/het/u zal hebben gebedeld
wij/we zullen hebben gebedeld
jullie zullen hebben gebedeld
zij/ze zullen hebben gebedeld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou bedelen
jij/je zou bedelen
hij/zij/het/u zou bedelen
wij/we zouden bedelen
jullie zouden bedelen
zij/ze zouden bedelen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gebedeld
jij/je zou hebben gebedeld
hij/zij/het/u zou hebben gebedeld
wij/we zouden hebben gebedeld
jullie zouden hebben gebedeld
zij/ze zouden hebben gebedeld
gebiedende wijs: bedel
tegenwoordig deelwoord: bedelend
voltooid deelwoord: gebedeld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De hond bedelt bij de tafel om eten.
The dog begs for food at the table.
Onvoltooid verleden tijdPast
De kat bedelde vanochtend om extra brokjes.
The cat begged for extra kibble this morning.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De hond heeft weer om koekjes gebedeld.
The dog has been begging for biscuits again.