Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik bak
jij/je bakt
hij/zij/het/u bakt
wij/we bakken
jullie bakken
zij/ze bakken
onvoltooid verleden tijdpast
ik bakte
jij/je bakte
hij/zij/het/u bakte
wij/we bakten
jullie bakten
zij/ze bakten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gebakken
jij/je hebt gebakken
hij/zij/het/u heeft gebakken
wij/we hebben gebakken
jullie hebben gebakken
zij/ze hebben gebakken
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gebakken
jij/je had gebakken
hij/zij/het/u had gebakken
wij/we hadden gebakken
jullie hadden gebakken
zij/ze hadden gebakken
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal bakken
jij/je zult bakken
hij/zij/het/u zal bakken
wij/we zullen bakken
jullie zullen bakken
zij/ze zullen bakken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gebakken
jij/je zult hebben gebakken
hij/zij/het/u zal hebben gebakken
wij/we zullen hebben gebakken
jullie zullen hebben gebakken
zij/ze zullen hebben gebakken
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou bakken
jij/je zou bakken
hij/zij/het/u zou bakken
wij/we zouden bakken
jullie zouden bakken
zij/ze zouden bakken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gebakken
jij/je zou hebben gebakken
hij/zij/het/u zou hebben gebakken
wij/we zouden hebben gebakken
jullie zouden hebben gebakken
zij/ze zouden hebben gebakken
gebiedende wijs: bak
tegenwoordig deelwoord: bakkend
voltooid deelwoord: gebakken
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik bak elke zondag verse broodjes.
I bake fresh rolls every Sunday.
Onvoltooid verleden tijdPast
Oma bakte gisteren een appeltaart.
Grandma baked an apple pie yesterday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Jij hebt heerlijke koekjes gebakken.
You have baked delicious cookies.
Voltooid verleden tijdPast perfect
Oma had een appeltaart gebakken voor mijn verjaardag.
Grandma had baked an apple pie for my birthday.