Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik assisteer
jij/je assisteert
hij/zij/het/u assisteert
wij/we assisteren
jullie assisteren
zij/ze assisteren
onvoltooid verleden tijdpast
ik assisteerde
jij/je assisteerde
hij/zij/het/u assisteerde
wij/we assisteerden
jullie assisteerden
zij/ze assisteerden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geassisteerd
jij/je hebt geassisteerd
hij/zij/het/u heeft geassisteerd
wij/we hebben geassisteerd
jullie hebben geassisteerd
zij/ze hebben geassisteerd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geassisteerd
jij/je had geassisteerd
hij/zij/het/u had geassisteerd
wij/we hadden geassisteerd
jullie hadden geassisteerd
zij/ze hadden geassisteerd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal assisteren
jij/je zult assisteren
hij/zij/het/u zal assisteren
wij/we zullen assisteren
jullie zullen assisteren
zij/ze zullen assisteren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geassisteerd
jij/je zult hebben geassisteerd
hij/zij/het/u zal hebben geassisteerd
wij/we zullen hebben geassisteerd
jullie zullen hebben geassisteerd
zij/ze zullen hebben geassisteerd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou assisteren
jij/je zou assisteren
hij/zij/het/u zou assisteren
wij/we zouden assisteren
jullie zouden assisteren
zij/ze zouden assisteren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geassisteerd
jij/je zou hebben geassisteerd
hij/zij/het/u zou hebben geassisteerd
wij/we zouden hebben geassisteerd
jullie zouden hebben geassisteerd
zij/ze zouden hebben geassisteerd
gebiedende wijs: assisteer
tegenwoordig deelwoord: assisterend
voltooid deelwoord: geassisteerd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik assisteer de tandarts drie dagen per week.
I assist the dentist three days a week.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij assisteerde de kok in de keuken.
She assisted the cook in the kitchen.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben de trainer bij de les geassisteerd.
We assisted the coach during the lesson.