Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik arbeid
jij/je arbeidt
hij/zij/het/u arbeidt
wij/we arbeiden
jullie arbeiden
zij/ze arbeiden
onvoltooid verleden tijdpast
ik arbeidde
jij/je arbeidde
hij/zij/het/u arbeidde
wij/we arbeidden
jullie arbeidden
zij/ze arbeidden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gewerkt
jij/je hebt gewerkt
hij/zij/het/u heeft gewerkt
wij/we hebben gewerkt
jullie hebben gewerkt
zij/ze hebben gewerkt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gewerkt
jij/je had gewerkt
hij/zij/het/u had gewerkt
wij/we hadden gewerkt
jullie hadden gewerkt
zij/ze hadden gewerkt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal arbeiden
jij/je zult arbeiden
hij/zij/het/u zal arbeiden
wij/we zullen arbeiden
jullie zullen arbeiden
zij/ze zullen arbeiden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gewerkt
jij/je zult hebben gewerkt
hij/zij/het/u zal hebben gewerkt
wij/we zullen hebben gewerkt
jullie zullen hebben gewerkt
zij/ze zullen hebben gewerkt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou arbeiden
jij/je zou arbeiden
hij/zij/het/u zou arbeiden
wij/we zouden arbeiden
jullie zouden arbeiden
zij/ze zouden arbeiden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gewerkt
jij/je zou hebben gewerkt
hij/zij/het/u zou hebben gewerkt
wij/we zouden hebben gewerkt
jullie zouden hebben gewerkt
zij/ze zouden hebben gewerkt
gebiedende wijs: arbeid
tegenwoordig deelwoord: arbeidend
voltooid deelwoord: gewerkt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Wij arbeiden samen op het land.
We labor together on the land.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij arbeidden vroeger in de fabriek.
They used to labor in the factory.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Hij zal nog jaren op de boerderij arbeiden.
He will labor on the farm for years to come.