Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik zeg af
jij/je zegt af
hij/zij/het/u zegt af
wij/we zeggen af
jullie zeggen af
zij/ze zeggen af
onvoltooid verleden tijdpast
ik zei af
jij/je zei af
hij/zij/het/u zei af
wij/we zeiden af
jullie zeiden af
zij/ze zeiden af
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb afgezegd
jij/je hebt afgezegd
hij/zij/het/u heeft afgezegd
wij/we hebben afgezegd
jullie hebben afgezegd
zij/ze hebben afgezegd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had afgezegd
jij/je had afgezegd
hij/zij/het/u had afgezegd
wij/we hadden afgezegd
jullie hadden afgezegd
zij/ze hadden afgezegd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal afzeggen
jij/je zult afzeggen
hij/zij/het/u zal afzeggen
wij/we zullen afzeggen
jullie zullen afzeggen
zij/ze zullen afzeggen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben afgezegd
jij/je zult hebben afgezegd
hij/zij/het/u zal hebben afgezegd
wij/we zullen hebben afgezegd
jullie zullen hebben afgezegd
zij/ze zullen hebben afgezegd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou afzeggen
jij/je zou afzeggen
hij/zij/het/u zou afzeggen
wij/we zouden afzeggen
jullie zouden afzeggen
zij/ze zouden afzeggen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben afgezegd
jij/je zou hebben afgezegd
hij/zij/het/u zou hebben afgezegd
wij/we zouden hebben afgezegd
jullie zouden hebben afgezegd
zij/ze zouden hebben afgezegd
gebiedende wijs: zeg af
tegenwoordig deelwoord: afzeggend
voltooid deelwoord: afgezegd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Jij zegt onze afspraak toch niet af?
You are not cancelling our appointment, are you?
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij zei het feest gisteren af.
He cancelled the party yesterday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb de vergadering helaas afgezegd.
Unfortunately I have cancelled the meeting.
Voltooid verleden tijdPast perfect
Zij had de afspraak op het laatste moment afgezegd.
She had cancelled the appointment at the last moment.