Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik weeg af
jij/je weegt af
hij/zij/het/u weegt af
wij/we wegen af
jullie wegen af
zij/ze wegen af
onvoltooid verleden tijdpast
ik woog af
jij/je woog af
hij/zij/het/u woog af
wij/we wogen af
jullie wogen af
zij/ze wogen af
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb afgewogen
jij/je hebt afgewogen
hij/zij/het/u heeft afgewogen
wij/we hebben afgewogen
jullie hebben afgewogen
zij/ze hebben afgewogen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had afgewogen
jij/je had afgewogen
hij/zij/het/u had afgewogen
wij/we hadden afgewogen
jullie hadden afgewogen
zij/ze hadden afgewogen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal afwegen
jij/je zult afwegen
hij/zij/het/u zal afwegen
wij/we zullen afwegen
jullie zullen afwegen
zij/ze zullen afwegen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben afgewogen
jij/je zult hebben afgewogen
hij/zij/het/u zal hebben afgewogen
wij/we zullen hebben afgewogen
jullie zullen hebben afgewogen
zij/ze zullen hebben afgewogen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou afwegen
jij/je zou afwegen
hij/zij/het/u zou afwegen
wij/we zouden afwegen
jullie zouden afwegen
zij/ze zouden afwegen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben afgewogen
jij/je zou hebben afgewogen
hij/zij/het/u zou hebben afgewogen
wij/we zouden hebben afgewogen
jullie zouden hebben afgewogen
zij/ze zouden hebben afgewogen
gebiedende wijs: weeg af
tegenwoordig deelwoord: afwegend
voltooid deelwoord: afgewogen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Wij wegen de voordelen en nadelen af.
We weigh the pros and cons.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij woog de opties zorgvuldig af.
He carefully weighed the options.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb alle argumenten goed afgewogen.
I have weighed all the arguments well.