Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik was af
jij/je wast af
hij/zij/het/u wast af
wij/we wassen af
jullie wassen af
zij/ze wassen af
onvoltooid verleden tijdpast
ik waste af
jij/je waste af
hij/zij/het/u waste af
wij/we wasten af
jullie wasten af
zij/ze wasten af
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb afgewassen
jij/je hebt afgewassen
hij/zij/het/u heeft afgewassen
wij/we hebben afgewassen
jullie hebben afgewassen
zij/ze hebben afgewassen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had afgewassen
jij/je had afgewassen
hij/zij/het/u had afgewassen
wij/we hadden afgewassen
jullie hadden afgewassen
zij/ze hadden afgewassen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal afwassen
jij/je zult afwassen
hij/zij/het/u zal afwassen
wij/we zullen afwassen
jullie zullen afwassen
zij/ze zullen afwassen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben afgewassen
jij/je zult hebben afgewassen
hij/zij/het/u zal hebben afgewassen
wij/we zullen hebben afgewassen
jullie zullen hebben afgewassen
zij/ze zullen hebben afgewassen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou afwassen
jij/je zou afwassen
hij/zij/het/u zou afwassen
wij/we zouden afwassen
jullie zouden afwassen
zij/ze zouden afwassen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben afgewassen
jij/je zou hebben afgewassen
hij/zij/het/u zou hebben afgewassen
wij/we zouden hebben afgewassen
jullie zouden hebben afgewassen
zij/ze zouden hebben afgewassen
gebiedende wijs: was af
tegenwoordig deelwoord: afwassend
voltooid deelwoord: afgewassen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
We wassen samen af.
We do the dishes together.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Zij hebben de glazen afgewassen.
They have washed the glasses.
Gebiedende wijsImperative
Was de borden af.
Wash the plates.