Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik val af
jij/je valt af
hij/zij/het/u valt af
wij/we vallen af
jullie vallen af
zij/ze vallen af
onvoltooid verleden tijdpast
ik viel af
jij/je viel af
hij/zij/het/u viel af
wij/we vielen af
jullie vielen af
zij/ze vielen af
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben afgevallen
jij/je bent afgevallen
hij/zij/het/u is afgevallen
wij/we zijn afgevallen
jullie zijn afgevallen
zij/ze zijn afgevallen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was afgevallen
jij/je was afgevallen
hij/zij/het/u was afgevallen
wij/we waren afgevallen
jullie waren afgevallen
zij/ze waren afgevallen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal afvallen
jij/je zult afvallen
hij/zij/het/u zal afvallen
wij/we zullen afvallen
jullie zullen afvallen
zij/ze zullen afvallen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn afgevallen
jij/je zult zijn afgevallen
hij/zij/het/u zal zijn afgevallen
wij/we zullen zijn afgevallen
jullie zullen zijn afgevallen
zij/ze zullen zijn afgevallen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou afvallen
jij/je zou afvallen
hij/zij/het/u zou afvallen
wij/we zouden afvallen
jullie zouden afvallen
zij/ze zouden afvallen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn afgevallen
jij/je zou zijn afgevallen
hij/zij/het/u zou zijn afgevallen
wij/we zouden zijn afgevallen
jullie zouden zijn afgevallen
zij/ze zouden zijn afgevallen
gebiedende wijs: val af
tegenwoordig deelwoord: afvallend
voltooid deelwoord: afgevallen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Hij valt met veel sporten langzaam af.
He is slowly losing weight with lots of sport.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij viel vorig jaar vijf kilo af.
She lost five kilos last year.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik ben sinds januari drie kilo afgevallen.
I have lost three kilos since January.
Voltooid toekomende tijdFuture perfect
Na de zomer zal hij vast een paar kilo zijn afgevallen.
After the summer he will surely have lost a few kilos.