Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik maak af
jij/je maakt af
hij/zij/het/u maakt af
wij/we maken af
jullie maken af
zij/ze maken af
onvoltooid verleden tijdpast
ik maakte af
jij/je maakte af
hij/zij/het/u maakte af
wij/we maakten af
jullie maakten af
zij/ze maakten af
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb afgemaakt
jij/je hebt afgemaakt
hij/zij/het/u heeft afgemaakt
wij/we hebben afgemaakt
jullie hebben afgemaakt
zij/ze hebben afgemaakt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had afgemaakt
jij/je had afgemaakt
hij/zij/het/u had afgemaakt
wij/we hadden afgemaakt
jullie hadden afgemaakt
zij/ze hadden afgemaakt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal afmaken
jij/je zult afmaken
hij/zij/het/u zal afmaken
wij/we zullen afmaken
jullie zullen afmaken
zij/ze zullen afmaken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben afgemaakt
jij/je zult hebben afgemaakt
hij/zij/het/u zal hebben afgemaakt
wij/we zullen hebben afgemaakt
jullie zullen hebben afgemaakt
zij/ze zullen hebben afgemaakt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou afmaken
jij/je zou afmaken
hij/zij/het/u zou afmaken
wij/we zouden afmaken
jullie zouden afmaken
zij/ze zouden afmaken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben afgemaakt
jij/je zou hebben afgemaakt
hij/zij/het/u zou hebben afgemaakt
wij/we zouden hebben afgemaakt
jullie zouden hebben afgemaakt
zij/ze zouden hebben afgemaakt
gebiedende wijs: maak af
tegenwoordig deelwoord: afmakend
voltooid deelwoord: afgemaakt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Zij maakt haar huiswerk voor het eten af.
She finishes her homework before dinner.
Onvoltooid verleden tijdPast
Wij maakten de puzzel samen af.
We finished the puzzle together.
Gebiedende wijsImperative
Maak eerst je huiswerk af.
Finish your homework first.