Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik leer af
jij/je leert af
hij/zij/het/u leert af
wij/we leren af
jullie leren af
zij/ze leren af
onvoltooid verleden tijdpast
ik leerde af
jij/je leerde af
hij/zij/het/u leerde af
wij/we leerden af
jullie leerden af
zij/ze leerden af
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb afgeleerd
jij/je hebt afgeleerd
hij/zij/het/u heeft afgeleerd
wij/we hebben afgeleerd
jullie hebben afgeleerd
zij/ze hebben afgeleerd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had afgeleerd
jij/je had afgeleerd
hij/zij/het/u had afgeleerd
wij/we hadden afgeleerd
jullie hadden afgeleerd
zij/ze hadden afgeleerd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal afleren
jij/je zult afleren
hij/zij/het/u zal afleren
wij/we zullen afleren
jullie zullen afleren
zij/ze zullen afleren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben afgeleerd
jij/je zult hebben afgeleerd
hij/zij/het/u zal hebben afgeleerd
wij/we zullen hebben afgeleerd
jullie zullen hebben afgeleerd
zij/ze zullen hebben afgeleerd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou afleren
jij/je zou afleren
hij/zij/het/u zou afleren
wij/we zouden afleren
jullie zouden afleren
zij/ze zouden afleren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben afgeleerd
jij/je zou hebben afgeleerd
hij/zij/het/u zou hebben afgeleerd
wij/we zouden hebben afgeleerd
jullie zouden hebben afgeleerd
zij/ze zouden hebben afgeleerd
gebiedende wijs: leer af
tegenwoordig deelwoord: aflerend
voltooid deelwoord: afgeleerd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik leer het roken langzaam af.
I am slowly unlearning smoking.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Hij heeft dat nagelbijten eindelijk afgeleerd.
He has finally kicked that nail-biting habit.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Wij zullen die slechte gewoonte samen afleren.
We will unlearn that bad habit together.
Voltooid verleden tijdPast perfect
Hij had het nagelbijten eindelijk afgeleerd.
He had finally broken the habit of biting his nails.