Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik kort af
jij/je kort af
hij/zij/het/u kort af
wij/we korten af
jullie korten af
zij/ze korten af
onvoltooid verleden tijdpast
ik kortte af
jij/je kortte af
hij/zij/het/u kortte af
wij/we kortten af
jullie kortten af
zij/ze kortten af
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb afgekort
jij/je hebt afgekort
hij/zij/het/u heeft afgekort
wij/we hebben afgekort
jullie hebben afgekort
zij/ze hebben afgekort
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had afgekort
jij/je had afgekort
hij/zij/het/u had afgekort
wij/we hadden afgekort
jullie hadden afgekort
zij/ze hadden afgekort
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal afkorten
jij/je zult afkorten
hij/zij/het/u zal afkorten
wij/we zullen afkorten
jullie zullen afkorten
zij/ze zullen afkorten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben afgekort
jij/je zult hebben afgekort
hij/zij/het/u zal hebben afgekort
wij/we zullen hebben afgekort
jullie zullen hebben afgekort
zij/ze zullen hebben afgekort
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou afkorten
jij/je zou afkorten
hij/zij/het/u zou afkorten
wij/we zouden afkorten
jullie zouden afkorten
zij/ze zouden afkorten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben afgekort
jij/je zou hebben afgekort
hij/zij/het/u zou hebben afgekort
wij/we zouden hebben afgekort
jullie zouden hebben afgekort
zij/ze zouden hebben afgekort
gebiedende wijs: kort af
tegenwoordig deelwoord: afkortend
voltooid deelwoord: afgekort
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Wij korten lange woorden vaak af.
We often abbreviate long words.
Onvoltooid verleden tijdPast
De schrijver kortte de titel een beetje af.
The writer shortened the title a little.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb mijn naam op het formulier afgekort.
I abbreviated my name on the form.