Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik hang af
jij/je hangt af
hij/zij/het/u hangt af
wij/we hangen af
jullie hangen af
zij/ze hangen af
onvoltooid verleden tijdpast
ik hing af
jij/je hing af
hij/zij/het/u hing af
wij/we hingen af
jullie hingen af
zij/ze hingen af
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb afgehangen
jij/je hebt afgehangen
hij/zij/het/u heeft afgehangen
wij/we hebben afgehangen
jullie hebben afgehangen
zij/ze hebben afgehangen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had afgehangen
jij/je had afgehangen
hij/zij/het/u had afgehangen
wij/we hadden afgehangen
jullie hadden afgehangen
zij/ze hadden afgehangen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal afhangen
jij/je zult afhangen
hij/zij/het/u zal afhangen
wij/we zullen afhangen
jullie zullen afhangen
zij/ze zullen afhangen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben afgehangen
jij/je zult hebben afgehangen
hij/zij/het/u zal hebben afgehangen
wij/we zullen hebben afgehangen
jullie zullen hebben afgehangen
zij/ze zullen hebben afgehangen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou afhangen
jij/je zou afhangen
hij/zij/het/u zou afhangen
wij/we zouden afhangen
jullie zouden afhangen
zij/ze zouden afhangen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben afgehangen
jij/je zou hebben afgehangen
hij/zij/het/u zou hebben afgehangen
wij/we zouden hebben afgehangen
jullie zouden hebben afgehangen
zij/ze zouden hebben afgehangen
gebiedende wijs: hang af
tegenwoordig deelwoord: afhangend
voltooid deelwoord: afgehangen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Het uitje hangt van het weer af.
The outing depends on the weather.
Onvoltooid verleden tijdPast
De keuze hing van de prijs af.
The choice depended on the price.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Ons besluit zal van jouw antwoord afhangen.
Our decision will depend on your answer.