Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik haak af
jij/je haakt af
hij/zij/het/u haakt af
wij/we haken af
jullie haken af
zij/ze haken af
onvoltooid verleden tijdpast
ik haakte af
jij/je haakte af
hij/zij/het/u haakte af
wij/we haakten af
jullie haakten af
zij/ze haakten af
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben afgehaakt
jij/je bent afgehaakt
hij/zij/het/u is afgehaakt
wij/we zijn afgehaakt
jullie zijn afgehaakt
zij/ze zijn afgehaakt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was afgehaakt
jij/je was afgehaakt
hij/zij/het/u was afgehaakt
wij/we waren afgehaakt
jullie waren afgehaakt
zij/ze waren afgehaakt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal afhaken
jij/je zult afhaken
hij/zij/het/u zal afhaken
wij/we zullen afhaken
jullie zullen afhaken
zij/ze zullen afhaken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn afgehaakt
jij/je zult zijn afgehaakt
hij/zij/het/u zal zijn afgehaakt
wij/we zullen zijn afgehaakt
jullie zullen zijn afgehaakt
zij/ze zullen zijn afgehaakt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou afhaken
jij/je zou afhaken
hij/zij/het/u zou afhaken
wij/we zouden afhaken
jullie zouden afhaken
zij/ze zouden afhaken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn afgehaakt
jij/je zou zijn afgehaakt
hij/zij/het/u zou zijn afgehaakt
wij/we zouden zijn afgehaakt
jullie zouden zijn afgehaakt
zij/ze zouden zijn afgehaakt
gebiedende wijs: haak af
tegenwoordig deelwoord: afhakend
voltooid deelwoord: afgehaakt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Veel lopers haken tijdens de marathon af.
Many runners drop out during the marathon.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij haakte na één les yoga al af.
He already dropped out after one yoga class.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Twee spelers zijn wegens blessures afgehaakt.
Two players have dropped out because of injuries.