Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik geef af
jij/je geeft af
hij/zij/het/u geeft af
wij/we geven af
jullie geven af
zij/ze geven af
onvoltooid verleden tijdpast
ik gaf af
jij/je gaf af
hij/zij/het/u gaf af
wij/we gaven af
jullie gaven af
zij/ze gaven af
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb afgegeven
jij/je hebt afgegeven
hij/zij/het/u heeft afgegeven
wij/we hebben afgegeven
jullie hebben afgegeven
zij/ze hebben afgegeven
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had afgegeven
jij/je had afgegeven
hij/zij/het/u had afgegeven
wij/we hadden afgegeven
jullie hadden afgegeven
zij/ze hadden afgegeven
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal afgeven
jij/je zult afgeven
hij/zij/het/u zal afgeven
wij/we zullen afgeven
jullie zullen afgeven
zij/ze zullen afgeven
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben afgegeven
jij/je zult hebben afgegeven
hij/zij/het/u zal hebben afgegeven
wij/we zullen hebben afgegeven
jullie zullen hebben afgegeven
zij/ze zullen hebben afgegeven
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou afgeven
jij/je zou afgeven
hij/zij/het/u zou afgeven
wij/we zouden afgeven
jullie zouden afgeven
zij/ze zouden afgeven
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben afgegeven
jij/je zou hebben afgegeven
hij/zij/het/u zou hebben afgegeven
wij/we zouden hebben afgegeven
jullie zouden hebben afgegeven
zij/ze zouden hebben afgegeven
gebiedende wijs: geef af
tegenwoordig deelwoord: afgevend
voltooid deelwoord: afgegeven
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik geef het pakket bij de buren af.
I'm dropping the package off at the neighbours'.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij gaf de sleutel bij de receptie af.
He handed the key in at the reception.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben de brief gisteren op het kantoor afgegeven.
We delivered the letter to the office yesterday.