Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik ga af
jij/je gaat af
hij/zij/het/u gaat af
wij/we gaan af
jullie gaan af
zij/ze gaan af
onvoltooid verleden tijdpast
ik ging af
jij/je ging af
hij/zij/het/u ging af
wij/we gingen af
jullie gingen af
zij/ze gingen af
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben afgegaan
jij/je bent afgegaan
hij/zij/het/u is afgegaan
wij/we zijn afgegaan
jullie zijn afgegaan
zij/ze zijn afgegaan
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was afgegaan
jij/je was afgegaan
hij/zij/het/u was afgegaan
wij/we waren afgegaan
jullie waren afgegaan
zij/ze waren afgegaan
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal afgaan
jij/je zult afgaan
hij/zij/het/u zal afgaan
wij/we zullen afgaan
jullie zullen afgaan
zij/ze zullen afgaan
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn afgegaan
jij/je zult zijn afgegaan
hij/zij/het/u zal zijn afgegaan
wij/we zullen zijn afgegaan
jullie zullen zijn afgegaan
zij/ze zullen zijn afgegaan
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou afgaan
jij/je zou afgaan
hij/zij/het/u zou afgaan
wij/we zouden afgaan
jullie zouden afgaan
zij/ze zouden afgaan
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn afgegaan
jij/je zou zijn afgegaan
hij/zij/het/u zou zijn afgegaan
wij/we zouden zijn afgegaan
jullie zouden zijn afgegaan
zij/ze zouden zijn afgegaan
gebiedende wijs: ga af
tegenwoordig deelwoord: afgaand
voltooid deelwoord: afgegaan
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Mijn wekker gaat elke ochtend om zes uur af.
My alarm goes off at six every morning.
Onvoltooid verleden tijdPast
Het brandalarm ging tijdens de les af.
The fire alarm went off during the lesson.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Het alarm is vannacht twee keer afgegaan.
The alarm has gone off twice tonight.
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditional
Het alarm zou om zeven uur afgaan.
The alarm would go off at seven o'clock.