Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik druk af
jij/je drukt af
hij/zij/het/u drukt af
wij/we drukken af
jullie drukken af
zij/ze drukken af
onvoltooid verleden tijdpast
ik drukte af
jij/je drukte af
hij/zij/het/u drukte af
wij/we drukten af
jullie drukten af
zij/ze drukten af
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb afgedrukt
jij/je hebt afgedrukt
hij/zij/het/u heeft afgedrukt
wij/we hebben afgedrukt
jullie hebben afgedrukt
zij/ze hebben afgedrukt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had afgedrukt
jij/je had afgedrukt
hij/zij/het/u had afgedrukt
wij/we hadden afgedrukt
jullie hadden afgedrukt
zij/ze hadden afgedrukt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal afdrukken
jij/je zult afdrukken
hij/zij/het/u zal afdrukken
wij/we zullen afdrukken
jullie zullen afdrukken
zij/ze zullen afdrukken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben afgedrukt
jij/je zult hebben afgedrukt
hij/zij/het/u zal hebben afgedrukt
wij/we zullen hebben afgedrukt
jullie zullen hebben afgedrukt
zij/ze zullen hebben afgedrukt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou afdrukken
jij/je zou afdrukken
hij/zij/het/u zou afdrukken
wij/we zouden afdrukken
jullie zouden afdrukken
zij/ze zouden afdrukken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben afgedrukt
jij/je zou hebben afgedrukt
hij/zij/het/u zou hebben afgedrukt
wij/we zouden hebben afgedrukt
jullie zouden hebben afgedrukt
zij/ze zouden hebben afgedrukt
gebiedende wijs: druk af
tegenwoordig deelwoord: afdrukkend
voltooid deelwoord: afgedrukt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik druk het formulier even af.
I'll just print the form.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij drukte de foto's voor oma af.
She printed the photos for grandma.
Gebiedende wijsImperative
Druk het ticket voor vertrek af.
Print the ticket before departure.