Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik blijf af
jij/je blijft af
hij/zij/het/u blijft af
wij/we blijven af
jullie blijven af
zij/ze blijven af
onvoltooid verleden tijdpast
ik bleef af
jij/je bleef af
hij/zij/het/u bleef af
wij/we bleven af
jullie bleven af
zij/ze bleven af
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben afgebleven
jij/je bent afgebleven
hij/zij/het/u is afgebleven
wij/we zijn afgebleven
jullie zijn afgebleven
zij/ze zijn afgebleven
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was afgebleven
jij/je was afgebleven
hij/zij/het/u was afgebleven
wij/we waren afgebleven
jullie waren afgebleven
zij/ze waren afgebleven
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal afblijven
jij/je zult afblijven
hij/zij/het/u zal afblijven
wij/we zullen afblijven
jullie zullen afblijven
zij/ze zullen afblijven
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn afgebleven
jij/je zult zijn afgebleven
hij/zij/het/u zal zijn afgebleven
wij/we zullen zijn afgebleven
jullie zullen zijn afgebleven
zij/ze zullen zijn afgebleven
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou afblijven
jij/je zou afblijven
hij/zij/het/u zou afblijven
wij/we zouden afblijven
jullie zouden afblijven
zij/ze zouden afblijven
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn afgebleven
jij/je zou zijn afgebleven
hij/zij/het/u zou zijn afgebleven
wij/we zouden zijn afgebleven
jullie zouden zijn afgebleven
zij/ze zouden zijn afgebleven
gebiedende wijs: blijf af
tegenwoordig deelwoord: afblijvend
voltooid deelwoord: afgebleven
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Onze kat blijft netjes van de planten af.
Our cat neatly keeps off the plants.
Onvoltooid verleden tijdPast
De kinderen bleven gelukkig van de taart af.
Luckily the children kept off the cake.
Gebiedende wijsImperative
Blijf van mijn telefoon af!
Keep your hands off my phone!