Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik betaal af
jij/je betaalt af
hij/zij/het/u betaalt af
wij/we betalen af
jullie betalen af
zij/ze betalen af
onvoltooid verleden tijdpast
ik betaalde af
jij/je betaalde af
hij/zij/het/u betaalde af
wij/we betaalden af
jullie betaalden af
zij/ze betaalden af
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb afbetaald
jij/je hebt afbetaald
hij/zij/het/u heeft afbetaald
wij/we hebben afbetaald
jullie hebben afbetaald
zij/ze hebben afbetaald
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had afbetaald
jij/je had afbetaald
hij/zij/het/u had afbetaald
wij/we hadden afbetaald
jullie hadden afbetaald
zij/ze hadden afbetaald
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal afbetalen
jij/je zult afbetalen
hij/zij/het/u zal afbetalen
wij/we zullen afbetalen
jullie zullen afbetalen
zij/ze zullen afbetalen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben afbetaald
jij/je zult hebben afbetaald
hij/zij/het/u zal hebben afbetaald
wij/we zullen hebben afbetaald
jullie zullen hebben afbetaald
zij/ze zullen hebben afbetaald
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou afbetalen
jij/je zou afbetalen
hij/zij/het/u zou afbetalen
wij/we zouden afbetalen
jullie zouden afbetalen
zij/ze zouden afbetalen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben afbetaald
jij/je zou hebben afbetaald
hij/zij/het/u zou hebben afbetaald
wij/we zouden hebben afbetaald
jullie zouden hebben afbetaald
zij/ze zouden hebben afbetaald
gebiedende wijs: betaal af
tegenwoordig deelwoord: afbetalend
voltooid deelwoord: afbetaald
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Wij betalen elke maand een stukje van de lening af.
We pay off a bit of the loan every month.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Hij heeft zijn auto eindelijk afbetaald.
He has finally paid off his car.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Ik zal de schuld volgend jaar afbetalen.
I will pay off the debt next year.