Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik zet aan
jij/je zet aan
hij/zij/het/u zet aan
wij/we zetten aan
jullie zetten aan
zij/ze zetten aan
onvoltooid verleden tijdpast
ik zette aan
jij/je zette aan
hij/zij/het/u zette aan
wij/we zetten aan
jullie zetten aan
zij/ze zetten aan
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb aangezet
jij/je hebt aangezet
hij/zij/het/u heeft aangezet
wij/we hebben aangezet
jullie hebben aangezet
zij/ze hebben aangezet
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had aangezet
jij/je had aangezet
hij/zij/het/u had aangezet
wij/we hadden aangezet
jullie hadden aangezet
zij/ze hadden aangezet
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal aanzetten
jij/je zult aanzetten
hij/zij/het/u zal aanzetten
wij/we zullen aanzetten
jullie zullen aanzetten
zij/ze zullen aanzetten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben aangezet
jij/je zult hebben aangezet
hij/zij/het/u zal hebben aangezet
wij/we zullen hebben aangezet
jullie zullen hebben aangezet
zij/ze zullen hebben aangezet
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou aanzetten
jij/je zou aanzetten
hij/zij/het/u zou aanzetten
wij/we zouden aanzetten
jullie zouden aanzetten
zij/ze zouden aanzetten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben aangezet
jij/je zou hebben aangezet
hij/zij/het/u zou hebben aangezet
wij/we zouden hebben aangezet
jullie zouden hebben aangezet
zij/ze zouden hebben aangezet
gebiedende wijs: zet aan
tegenwoordig deelwoord: aanzettend
voltooid deelwoord: aangezet
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik zet de verwarming even aan.
I turn on the heating for a bit.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij zette na het eten de televisie aan.
He turned on the television after dinner.
Gebiedende wijsImperative
Zet de oven alvast aan voor de pizza.
Go ahead and turn on the oven for the pizza.