Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik wijs aan
jij/je wijst aan
hij/zij/het/u wijst aan
wij/we wijzen aan
jullie wijzen aan
zij/ze wijzen aan
onvoltooid verleden tijdpast
ik wees aan
jij/je wees aan
hij/zij/het/u wees aan
wij/we wezen aan
jullie wezen aan
zij/ze wezen aan
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb aangewezen
jij/je hebt aangewezen
hij/zij/het/u heeft aangewezen
wij/we hebben aangewezen
jullie hebben aangewezen
zij/ze hebben aangewezen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had aangewezen
jij/je had aangewezen
hij/zij/het/u had aangewezen
wij/we hadden aangewezen
jullie hadden aangewezen
zij/ze hadden aangewezen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal aanwijzen
jij/je zult aanwijzen
hij/zij/het/u zal aanwijzen
wij/we zullen aanwijzen
jullie zullen aanwijzen
zij/ze zullen aanwijzen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben aangewezen
jij/je zult hebben aangewezen
hij/zij/het/u zal hebben aangewezen
wij/we zullen hebben aangewezen
jullie zullen hebben aangewezen
zij/ze zullen hebben aangewezen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou aanwijzen
jij/je zou aanwijzen
hij/zij/het/u zou aanwijzen
wij/we zouden aanwijzen
jullie zouden aanwijzen
zij/ze zouden aanwijzen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben aangewezen
jij/je zou hebben aangewezen
hij/zij/het/u zou hebben aangewezen
wij/we zouden hebben aangewezen
jullie zouden hebben aangewezen
zij/ze zouden hebben aangewezen
gebiedende wijs: wijs aan
tegenwoordig deelwoord: aanwijzend
voltooid deelwoord: aangewezen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Het meisje wijst het juiste antwoord aan.
The girl points out the correct answer.
Onvoltooid verleden tijdPast
De gids wees de oude toren aan.
The guide pointed out the old tower.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De jury heeft de winnaar aangewezen.
The jury has designated the winner.