Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik val aan
jij/je valt aan
hij/zij/het/u valt aan
wij/we vallen aan
jullie vallen aan
zij/ze vallen aan
onvoltooid verleden tijdpast
ik viel aan
jij/je viel aan
hij/zij/het/u viel aan
wij/we vielen aan
jullie vielen aan
zij/ze vielen aan
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb aangevallen
jij/je hebt aangevallen
hij/zij/het/u heeft aangevallen
wij/we hebben aangevallen
jullie hebben aangevallen
zij/ze hebben aangevallen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had aangevallen
jij/je had aangevallen
hij/zij/het/u had aangevallen
wij/we hadden aangevallen
jullie hadden aangevallen
zij/ze hadden aangevallen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal aanvallen
jij/je zult aanvallen
hij/zij/het/u zal aanvallen
wij/we zullen aanvallen
jullie zullen aanvallen
zij/ze zullen aanvallen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben aangevallen
jij/je zult hebben aangevallen
hij/zij/het/u zal hebben aangevallen
wij/we zullen hebben aangevallen
jullie zullen hebben aangevallen
zij/ze zullen hebben aangevallen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou aanvallen
jij/je zou aanvallen
hij/zij/het/u zou aanvallen
wij/we zouden aanvallen
jullie zouden aanvallen
zij/ze zouden aanvallen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben aangevallen
jij/je zou hebben aangevallen
hij/zij/het/u zou hebben aangevallen
wij/we zouden hebben aangevallen
jullie zouden hebben aangevallen
zij/ze zouden hebben aangevallen
gebiedende wijs: val aan
tegenwoordig deelwoord: aanvallend
voltooid deelwoord: aangevallen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De kat valt het speelgoedmuisje steeds aan.
The cat keeps attacking the toy mouse.
Onvoltooid verleden tijdPast
Onze ploeg viel in de tweede helft flink aan.
Our team attacked strongly in the second half.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De hond heeft de postbode gelukkig nooit aangevallen.
Luckily the dog has never attacked the mail carrier.