Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik houd aan
jij/je houdt aan
hij/zij/het/u houdt aan
wij/we houden aan
jullie houden aan
zij/ze houden aan
onvoltooid verleden tijdpast
ik hield aan
jij/je hield aan
hij/zij/het/u hield aan
wij/we hielden aan
jullie hielden aan
zij/ze hielden aan
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb aangehouden
jij/je hebt aangehouden
hij/zij/het/u heeft aangehouden
wij/we hebben aangehouden
jullie hebben aangehouden
zij/ze hebben aangehouden
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had aangehouden
jij/je had aangehouden
hij/zij/het/u had aangehouden
wij/we hadden aangehouden
jullie hadden aangehouden
zij/ze hadden aangehouden
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal aanhouden
jij/je zult aanhouden
hij/zij/het/u zal aanhouden
wij/we zullen aanhouden
jullie zullen aanhouden
zij/ze zullen aanhouden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben aangehouden
jij/je zult hebben aangehouden
hij/zij/het/u zal hebben aangehouden
wij/we zullen hebben aangehouden
jullie zullen hebben aangehouden
zij/ze zullen hebben aangehouden
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou aanhouden
jij/je zou aanhouden
hij/zij/het/u zou aanhouden
wij/we zouden aanhouden
jullie zouden aanhouden
zij/ze zouden aanhouden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben aangehouden
jij/je zou hebben aangehouden
hij/zij/het/u zou hebben aangehouden
wij/we zouden hebben aangehouden
jullie zouden hebben aangehouden
zij/ze zouden hebben aangehouden
gebiedende wijs: houd aan
tegenwoordig deelwoord: aanhoudend
voltooid deelwoord: aangehouden
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De regen houdt de hele dag aan.
The rain persists all day long.
Onvoltooid verleden tijdPast
De politie hield de zakkenroller op het station aan.
The police arrested the pickpocket at the station.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De agenten hebben twee verdachten aangehouden.
The officers have arrested two suspects.